CO-OUDERSCHAP ALS RECHTSNORM
Of 17 punten om de huidige wet en de wetsvoorstel Donner te verbeteren

30 april 2007

De nieuwe groepering “Ko-ouderklopt” wil haar mening en advies geven op het gebied van kinderen en ouders. Binnenkort wordt het wetvoorstel Donner opnieuw behandeld in de tweede kamer (zie www.ko-ouderklopt.nl )

Over dit wetvoorstel zijn we niet helemaal tevreden. Over een punt echter wel:

Aan artikel 247 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:


     3. Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.

De intentie van dit punt is goed maar het zal niet helpen tegen de tientallen duizenden ouders die niet mee willen werken. Dit komt doordat ze weten dat de overtreding van de wet door familierechters nooit (of bijna nooit) wordt gestraft en, sterker nog, toegelaten wordt.

Ook het (goed bedoelde) ouderschapsplan kan hier geen hulp bieden.

Wat we echt willen en adviseren is Co-ouderschap als rechtsnorm. (te realiseren binnen deze kabinetstermijn)

Waarom?

Gelijkheid voor de wet en vooral in termen van de wet zelf? Iedereen is hier voor! Echter, in het Nederlandse familierecht bestaat deze gelijkheid niet meer! Niet meer omdat doordat er meer tijd gegeven wordt aan de ene ouder (samen met het overblijf) ten koste van de andere ouder, en (nog kwalijker) doordat erop een kind geen gelijke opvoedingsinvloed door beide ouders wordt uitgeoefend.

Nog veel ernstiger is het geval waarin het kind de ouder met wie het kind het minst contact heeft, plotseling helemaal niet meer ziet. Hoewel het meestal vanwege futiele,eenzijdige en niet bewezen redenen is die worden aangevoerd door de andere ouder, geven rechters en mensen van de Raad van de Kinderbescherming geen spoedkarakter aan de zaak en wanneer de rechter zijn uitspraak doet, is dit in de grote meerderheid van de gevallen om de toestand toe te laten.

Ook niet acceptabel in een rechtstaat, is het feit dan een ouder (die zijn kind van de andere weg houdt), die de beslissing van de rechter (om de omgangsregeling te handhaven) niet respecteert, bijna nooit gestraft wordt! En meestal wordt een dergelijke beslissing niet gerespecteerd omdat men wel weet dat het onbestraft blijft!

Bovendien wordt het kind op de tweede plaats ook, bijna altijd, geconditioneerd door de andere ouder (vaak geholpen door de nieuwe partner) zodat het kind gaat geloven dat de aan de zijlijn geplaatst ouder slecht is en dat hij of zij hem of haar moet verstoten. Het kind verstoot dan in ongeveer 90% van de gevallen zijn ouder wegens ongegronde en verkeerde redenen en ook wegens onbelangrijke en ridicule verwijten (verwijten die rechters meestal ook gebruiken om hun vonnissen te onderbouwen). Dit is voor het kind een toppunt van onrechtvaardigheid, omdat het kind slachtoffer is van zware psychische mishandeling die hij/zij moeilijk te boven kan komen, ook later in zijn of haar leven.

Totdat co-ouderschap de rechtsnorm is, zijn er een aantal zaken waar snel verandering in moet komen. Het gaat om de volgende 17 punten:

(In de onderstaande punten zullen we fragmenten citeren uit verschillende wetsartikelen. De artikelen waaruit deze citaten afkomstig zijn vindt u in de bijlage)

1.a  een zin in de huidige wet afschaffen (artikel 377a.3.d. van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek)omdat deze zin (toegevoegd via een amendement van de tweede kamer in 1998) overbodig is en wordt gebruikt om de geest van de huidige wet van ‘98 te omzeilen hoewel die wet juist werd geschreven om “het niet hebben van contact met één van de ouders” op termijn op te lossen. Daarnaast is de zin dusdanig onduidelijk geformuleerd, dat iedere individuele rechter hem naar believen kan interpreteren.

De zin van de wet in kwestie is het volgende:


De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien: d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

1.b. Er is een andere mogelijkheid. De zin in kwestie kan geamendeerd worden om die te beperken en precies te definiëren, zodat deze zin alleen in extreme gevallen gebruikt wordt. Dit vereist dan efficiëntie, snelheid en professionalisme van de rechtbanken.Dit verplicht de medewerking van de ouder die zijn kind niet meer wil delen. Anders werkt die ouder tot nu toe (bijna) nooit mee.

De restricties zouden ook moeten gelden voor alle leden van de wet waar “in het belang van het kind” geschreven staat.
 
De restricties voor punt d  (art.377a.3.d ) en ook  voor art.251, art.251.a.1.b, art.253.a.1, art.253a.2.a, art.253.a.4 en eventueel andere artikelen die wij mogelijkerwijs over het hoofd hebben gezienzouden als volgt kunnen luiden:

Alle bovengenoemde artikelen zijn niet van toepassing op de ouder die het kind bij zich houdt:

- Als er minimaal twee gesprekken tussen de ouders in het bijzijn van een (forensische) mediator niet plaats hebben gevonden, behalve als dit te wijten is aan de uitgesloten ouder.
- Als het kind een onafhankelijke psycholoog gekozen door de uitgesloten ouder niet heeft ontmoet, behalve als dit te wijten is aan de uitgesloten ouder. 
- Als het kind een geschreven-, een audio-, of video document van de uitgesloten ouder niet heeft gelezen, gehoord of gezien in het bijzijn van dezelfde onafhankelijke psycholoog behalve als dit te wijten is aan de uitgesloten ouder.
- Als het kind deze ouder vier keer in de vier weken voorafgaande de zitting niet heeft ontmoet, behalve als dit de wijten is aan de uitgesloten ouder. De ontmoetingen vinden plaats in het bijzijn van de onadhankelijke psycholoog, iemand van de RvK en als het nodig is een tolk zodat de ouder in de gewone taal tussen de twee, met het kind kan communiceren.
- Als de onafhankelijke psycholoog constateert dat het kind op zijn minst drie symptomen van de ouderverstoting syndroom vertoont.
- Als het kind en zijn ouder elkaar al meer dan drie maanden niet hebben gezien behalve als de oorzak van de vertraging van de zitting of het niet mogelijk maken van de ontmoeting te wijten is aan de uitgesloten ouder.

 

2.  Artikel 377a. 3. c en het artikel 251.a.4 amenderen of definiëren zodat er binnen de artikelen geen ruimte is voor interpretaties die niet met de geest van de wet overeenstemmen.
.     


art.377a.3.c : De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of degene met wie hij in nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken,

art. 251a.4: De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van het eerste lid. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

Hier kan een twaalf jarige indien hij/zij dit “op prijs stelt” “ernstige bezwaren” uiten tegen één van zijn ouders waarop een rechter een omgangsregeling of ouderlijke gezag kan ontzeggen.

Wat hier geamendeerd moet worden is:

art.377a.3.c en art.353.a.4 zijn niet van toepassing op de ouder die het kind bij zich houdt als de volgende voorwaarden niet zijn voldaan:

- het kind moet minimal 4 keer in de 4 weken voor zijn verhoor door de rechter, met als laatste ontmoeting een gesprek één of twee uur voor het verhoor, de verstoten ouder kunnen ontmoeten en de eventuele knelpunten met die ouder kunnen bespreken  in het bijzijn van een onafhankelijke psycholoog, iemand van de R.v.K. (Raad van de Kinderbescherming) en als het nodig is een tolk zodat de ouder in de gewone taal tussen de twee, met het kind kan communiceren.
- ook zou de grond van de "ernstige bezwaren"  beter gedefinieerd moeten worden en alle bezwaren die bij het (P.A.S.) "Parental Alienation Syndrom" / ouderverstoting syndroom passen zouden niet bepalend moeten worden beschouwd.

Gelijkheid en rechtvaardigheid vereisen als de knelpunten thuis uitgebreid kunnen besproken worden, dan zou de andere ouder dit ook moeten kunnen doen. Zelf zou de ouder een cadeau aan zijn kind moeten kunnen geven. Gelijkheid vereist dat als de conditionerende ouder dit kan doen, zou de andere ouder (al in een nadelige situatie) dit ook moeten kunnen.

Alleen op deze manier kan enige balans gevonden worden voor een gezondere beslissing van het kind. Het kind heeft dan niet alleen de negatieve conditionering van de andere ouder gehoord.

Volgens psychologen, is een kind tussen 7 en 14 jaar het meest receptief voor conditionering. Daarom zijn de "ernstige bezwaren" van een kind van 12, 13 of 14 niet persé relevant als ze thuis eenzijdig geconditioneerd worden.

Zonder de 4 gespreken binnen de 4 weken van zijn verhoor, zou een kind van 12, 13, of 14 jaar geen bezwaar moeten kunnen uiten.

Met bovenstaande regelgeving zou de conditionerende ouder verplicht moeten worden om mee te werken. 

3. (Het is voor ons onduidelijk of de onderstaande door ons voorgestelde verbeteringen in het nieuwe art.812.2 zijn opgenomen): Het is nodig de huidige wet te amenderen zodat de rechters verplicht moeten ingrijpen door het laten toetreden van de politie (in burger) als het nodig is om de uitgesloten ouder aan het lijdende kind terug te geven. De pijn van het kind is vaak onzichtbaar want deze is blijkbaar tegenstrijdig met de verstoting die hij of zij uit. De ouder wordt dan (geleidelijk als het nodig is) aan het kind terug gegeven. Prof. Gardner heeft deze mishandeling (P.A.S. / ouderverstoting syndroom) bestudeerd  en is erin geslaagd een methode te vinden die de kinderen in staat stelt dit te kunnen overwinnen. Die methode verloopt via de rechter en blijkt 100% juist te zijn geweest tijdens de 22 experimenten die in de V.S. plaats hebben gevonden. We moeten volgen wat werkt en niet wat niet werkt zoals in de huidige wet.

Artikel 812.2:Een beschikking als bedoeld in artikel 253a, eerste en tweede lid, of artikel 377a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan slechts met de sterke arm ten uitvoer worden gelegd voorzover dit bij die beschikking is bepaald)

artikel 812.2: “[…] kan slechts met de sterke arm ten uitvoer worden gelegd voorzover dit bij de beschikking is bepaald.” Hier kan een rechter kiezen wat hij het best vindt. Hierdoor kunnen we er bijna zeker van zijn dat bijna geen enkele rechter deze mogelijkheid zal gebruiken. De rechters zouden verplicht moeten worden de politie in te schakelen, omdat dit artikel en deze wet anders geen nut hebben. Dit artikel zou dus als volgt moeten luiden:: “[…] indien één van de ouders het vonnis naast zich neerlegt [...] moet de omgangsregeling met de sterke arm (liever in burger) ten uitvoer worden gelegd.”

4. Paradoxale toewijzing: toewijzing van de hoofdverzorging aan de uitgesloten ouder en toewijzing van een omgangsregeling aan de ouder die niet meewerkt. (zie nieuwe art. 247:  “Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen”).

 5. Gelijk gezag en erkenning van beide ouders bij de geboorte van elk kind. Elk kind heeft een biologische vader en moeder.

6. De Raad voor de Kinderbescherming alleen in te schakelen bij strafbare feiten als ontvoering, incest, mishandeling of verwaarlozing van kinderen. Bij scheidingen hoeft de RvK niet ingeschakeld te worden.

7. Open rechtbanken (tenzij beide ouders dat niet willen), geen geheime rechtbanken meer, iedereen moet kunnen zien en controleren hoe er recht gesproken wordt. Alleen dan wordt er ook werkelijk recht gesproken.

8. Wie om privé-redenen wil afwijken van het ouderschapsplan (wetvoorstel Donner) draagt daar zelf de consequenties van.

9. Alle rechten en plichten van gescheiden ouders gelden ook voor ongehuwde ouders.

10. De P.A.S. (parental alienation syndrom / ouderverstoting syndroom) vanaf 3 symptomen (uit 10) als psychische mishandeling kwalificeren.

11. De term “in het belang van het kind” beter definiëren: het kind moet gestimuleerd worden in het onderhouden van de band die hij/zij met beide ouders heeft. Dat is sowieso wat het nieuwe artikel 247 zegt. Daarbij kunnen worden opgeteld de gevallen waarop de zin “in het belang van het kind” niet van toepassing is. De volgende voorbelden komen uit 2 extreme jurisprudentie gevallen die ons inziens niet kloppen: 1. het niet meer (vaak nooit meer) zien van het kind doordat de ouder geweld aan een derde persoon heeft gepleegd ook in het bijzijn van het kind 2. het niet meer zien van het kind doordat de ene ouder tegen de wensen van de andere ouder en het kind het kind een keer heeft verplicht een stukje vlees te eten. Er zouden veel meer tussenvoorbeelden tussen die 2 voorbeelden kunnen worden gegeven aangezien er zoveel voorbelden van ongelofelijke vonnissen zijn die op die manier zijn onderbouwd.

12. Artikel 253a.2.a  [...] tijdelijk verbod contact te hebben … “tijdelijk” moet hier beperkt worden tot maximaal 6 maanden (inclusief de tijd voorafgaande de vonnis).

13. artikel 377a.3.a:  het zinsdeel “omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind” beter definiëren door de volgende zin toe te voegen: “door psychische, fysieke of seksuele mishandeling”.

14. artikel 377a.3.b: “de ouder … kennelijk ongeschikt niet in staat moet worden geacht tot omgang” beter definiëren met “de hoogte van het inkomen van de ouder mag geen rol spelen.” Het vonnis moet tevens tijdelijk zijn, zodat de ouder met psychiatrische problemen na behandeling en herstel opnieuw geschikt kan worden bevonden voor een omgangsregeling met zijn/haar kind.

15. Tijdstermijn van de rechtszaken: (in het belang van het kind mag een rechtszaak via alle niveaus –inclusief cassatie- niet langer dan 1 jaar duren)

 In eerste instantie: maximaal 2 zittingen. De eerste zitting binnen 6 weken (het staat er al in art. 253.a.5), de tweede binnen 4 weken na de eerste. Als de Raad van de Kinderbescherming ingeschakeld wordt, moet ze binnen die termijnen haar onderzoek doen en haar rapport uitbrengen. Als ze niet klaar is door ziekteverzuim van het personeel, door interne communicatieproblemen, of door gebrek aan tijd, geld en personeel, dan moet de rechter sowieso uitspraak doen.

In hoger beroep: de zitting moet binnen 6 weken plaats vinden.

In cassatie: de zitting moet binnen 6 maanden plaats vinden. Hier moet de Hoge Raad een speciale spoed karakter aan de familierecht voor de komende jaren geven om de slechte structurele functionering van de familie rechters te corrigeren in het belang voor het kind (zoals in art.247). 

16. Omgangshuizen: Deze hoeven niet meer te bestaan aangezien het gezag en de eer van de uitgesloten ouder (die toch al in een nadelige positie verkeert) in een dergelijke setting niet worden gerespecteerd. Het kind ziet zijn ouder alsof hij of zij een gevangene is zonder recht, alsof hij of zij schuldig is aan iets. Als deze omgangshuizen toch moeten bestaan dan zouden de volgende verbeteringen moeten worden gerealiseerd:  de ouder mag in de taal die hij normaal gebruikt met het kind spreken. Hij mag over alle onderwerpen spreken met het kind; ook over de knelpunten, de negatieve conditionering die hij krijgt te horen etc.. Hij mag een cadeau aan zijn kind geven. Als de ene ouder thuis dit mag doen, dan moet de uitgesloten ouder ditzelfde recht moeten hebben. 

17. Het kind wordt vaak geconfronteerd met het feit dat hij zijn achternaam niet meer mag gebruiken (op school, clubjes, etc). Hij wordt aangesproken met een andere achternaam. Hij verliest daardoor zijn identiteit. Het is schokkend en destabiliserend. Het is niet in zijn belang. Het veranderen van de achternaam wordt gebruikt als hulpmiddel om het kind van een van de ouders te vervreemden. Het niet respecteren en het verbod op het gebruik van de oorspronkelijke achternaam van het kind, en het gebruik van een andere achternaam zonder een uitspraak van een rechter moeten gelden als een goede reden om het gezag van de verantwoordelijke ouder en hem/haar te ontnemen volgens de geest van het nieuwe artikel 247.3.  

Negatieve consequenties voor de jeugd, maatschappij en economie als het kind de opvoedingsinvloed van één van de twee ouders verliest, zijn:

De statistiek is duidelijk!

Voor het kind:
De school prestaties zijn slechter
Jeugdcriminaliteit is hoger
Meer psychologische stoornissen
Meer zelfmoorden
Minder respect voor gezag (meer moeilijkheden voor leerkrachten?)
   

Voor volwassenen:
Meer depressies
Meer langdurig ziekteverzuim
Meer ongelukken
Meer zorgkosten
Minder efficiëntie of enthousiasme op het werkvloer
Meer faillissementen 
Meer werkloosheid
Meer zelfmoorden
Meer mensen in huizen van bewaring
Meer psychologische stoornissen
Meer risico’s voor moord op ex en kind
Minder respect voor gezag
Weinig vertrouwen in politici, rechters en politie

 Het is dus om al die wanorde te vermijden voor de kinderen en voor de verstoten ouders (en de familie van die ouders) is het noodzakelijk dat co-ouderschap de basis van de wet en van haar toepassing door de rechters wordt.

Co-ouderschap als rechtsnorm is niet alleen belangrijk voor hen, maar ook voor de kinderen die hun beide ouders nog zien, en voor de ouders die een omgangsregeling toegewezen hebben gekregen (en die daarvan nog kunnen genieten). Ook voor ouders die nog samenwonen en het leven van  hun kinderen delen is dit belangrijk!

Waarom?

Voor degene die een omgangsregeling toegewezen hebben gekregen, is dit meestal moeilijk om hun rol als echte opvoeder te vervullen want zij zitten te vaak klem en onder de macht en druk van de andere ouder in hun manier van opvoeden. De andere ouder weet wel dat hij of zij tot het uiterste kan gaan en bovendien onbestraft blijft. Hij of zij kan de ouder met de omgangsregeling chanteren met als ultieme straf het stopzetten van de omgangsregeling. En het kind die dat weet of voelt, speelt ouders tegen elkaar uit. Het kind verliest op die manier de echte verrijkende invloed van die ene ouder. 

Wat de nog getrouwde of samenwonende ouders betreft, speelt dezelfde ongelijkheid op een min of meer subtiele manier zich af. Hoe meer de liefde vermindert, hoe meer een ouder (heel vaak) weet een stempel te drukken op die andere. Elke ouder weet of hij of zij, volgens de statistiek, de winnende of de verliezende ouder is. Hier zijn de kinderen ook nog de dupe van omdat ze min of meer subtiel aangemoedigd worden om de éne tegen de andere ouder te spelen en daardoor binnen minder duidelijke grenzen te kunnen opgroeien. Kinderen verliezen respect en raken uit balans.

Co-ouderschap na scheiding is dus niet alleen dé enige oplossing om het gevoel van gelijkheid tussen alle burgers te herstellen maar ook en vooral, de rechten, de balans en het welzijn van het kind, kortom het belang van het kind als prioriteit te beschouwen.

Het aantal scheidingen eventueel reduceren:

De statistiek is duidelijk. Diegenen die het vaakst het verzoek tot echtscheiding indienen zijn diegenen die weten (volgens de statistiek) dat ze het hoofdverblijf gaan krijgen. Scheiding wordt dan, in plaats van een levenswijze die alle gezinsleden ten goede komt, een middel om macht op de andere ouder uit te oefenen. Dit gebeurt dan door o.a. het kind te manipuleren en als wapen te gebruiken. Dit kan gebeuren omdat van tevoren bekend is dat rechters tegen dit soort gedrag geen stappen zullen ondernemen, zelfs als dit gedrag in strijd is met eerdere vonnissen. Als de wet duidelijk en gelijkwaardig is, en de rechters de geest van de wet werkelijk respecteren, dan zal men minder snel besluiten een verzoek tot echtscheiding in te dienen. Men zal waarschijnlijk eerst liever eerlijk bemiddelen en/of werkelijk op zoek gaan naar oplossingen met hulp van bijvoorbeeld een relatietherapeut.

Kortom, het is van het grootste belang om de huidige wet snel (binnen één jaar) aan te passen én binnen 4 jaar, co-ouderschap als rechtsnorm aan te nemen. Dit is in het belang van de jeugd, van de harmonie van stellen, van alle ouders, van hun families (grootouders etc.), van het herstellen van het vertrouwen in de politiek en het gezag, van de economie, van de hele maatschappij! Het niet meer zien van een ouder moet heel snel, zeer uitzonderlijk worden en co-ouderschap de rechtsnorm voor de nabije toekomst.

 

 

 

 

 

 

 

Bijlagen

Bron: website van de Tweede Kamer

http://www.tweedekamer.nl/images/30145%20bij_tcm118-80008.doc

van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek

30 145

Wijziging van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering in verband met het bevorderen van voortgezet ouderschap na scheiding en het afschaffen van de mogelijkheid tot het omzetten van een huwelijk in een geregistreerd partnerschap (Wet bevordering voortgezet ouderschap en zorgvuldige scheiding)

 

Aan artikel 247 wordt een derde lid toegevoegd, luidende:
     3. Het ouderlijk gezag omvat mede de verplichting van de ouder om de ontwikkeling van de banden van zijn kind met de andere ouder te bevorderen.

Artikel 251 wordt als volgt gewijzigd:
    
     1. In het tweede lid vervalt de zinsnede “, tenzij de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen in het belang van het kind bepaalt dat het gezag over een kind of de kinderen aan een van hen alleen toekomt”.
    
     2. Het derde en vierde lid vervallen.

 

Artikel 251a
    
     1. De rechter kan na ontbinding van het huwelijk anders dan door de dood of na scheiding van tafel en bed op verzoek van de ouders of van één van hen bepalen dat het gezag over een kind aan één ouder toekomt indien:
     a. er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of
     b. wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.

 

 

4. De rechter kan, indien hem blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van het eerste lid. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

Artikel 253a komt te luiden:

Artikel 253a

1. In geval van gezamenlijke uitoefening van het gezag kunnen geschillen hieromtrent op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank neemt een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
2. De rechtbank kan eveneens op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:
a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede en uitsluitend indien het belang van het kind dit vereist, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben;
b. de beslissing bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft;

4. De rechtbank beproeft alvorens te beslissen op een verzoek als in het eerste of tweede lid bedoeld, een vergelijk tussen de ouders en kan desverzocht en ook ambtshalve, zulks indien geen vergelijk tot stand komt en  het belang van het kind zich daartegen niet verzet, een door de wet toegelaten dwangmiddel opleggen, dan wel bepalen dat de beschikking of onderdelen daarvan met toepassing van artikel 812, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering ten uitvoer kunnen worden gelegd.

Artikel 377a

3. De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
     a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of
            b. de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of
c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken, of
     d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

Artikel 812 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst van artikel 812 wordt de aanduiding “1.” geplaatst.

2. Aan het artikel wordt een lid toegevoegd, luidende:
            2. Een beschikking als bedoeld in artikel 253a, eerste en tweede lid, of artikel 377a, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek kan slechts met de sterke arm ten uitvoer worden gelegd voorzover dit bij die beschikking is bepaald